taal van verbeelding

 

Geruchten

 

de morgen breekt aan

laan wordt

tot leven geroepen

zintuigen bespeuren

geur van vers brood

schoenen van gister

nog zwaar

van het lood

 wachten een voet

om wakker te gaan

 

de zon laat verstek

het hek

bij de buren blijft dicht

oude eik en de bank

waar leven gewoonlijk

het licht ziet

 ’t bleef er stil

schril verblijven

wat vogels nog op

een tak die niet dood wil

 

toen zag ik ze gaan

samen

bedrukt was hun gang

achter bleven de

ramen die zwijgend

verzuchten

 

en de vogels

zij zongen geruchten

 

In het juiste perspectief

 

noest zoeken woorden

ruimte tussen groeiringen

vrij maar kernachtig

 

woorden ooit doorleefd

door dichter die ze dacht

onder de oude eik

en weet

dat jaren pas geteld

worden

na te zijn geveld

 

maar vooralsnog

schijnt in de laan

het zonnetje

alle proefballonnetjes

voortijdig lek

ten spijt

 

tijd immers

zo blijkt moet

in het juiste

perspectief gezet

Strijklicht

 

Nu ik

door het venster kijk

droog geblazen

door de wind

de laan in

voorbij het bankje en

de oude eik

 

zie ik ze staan

de bomen kaal

als stil verhaal

het ingetogen

strijklicht dragen

waarin de tijd oplicht

 

zij

die eraan voorbijgaan

ongewild niet zien

wat sindsdien

voor ogen is

omdat de tijd

te drogen hangt

in een vergeeld

verlangen

 

terwijl die warme tint

in ’t kille jaargetij

waarin alle vragen

opgesloten liggen

verten dichter nader

brengt

dan een dichter

dichten kan

mij weer doen zitten

op ’t bankje

onder de oude eik

 

 

De laan vroeger en nu

 

ik sliep mijn droom

in duizend nachtelijke dagen

woonde waar ik niet wou zijn

de laan van vroeger thuis

 

gezwachtelde pijn

ontstaan door vele vragen

mijn huid gepleisterd

geëiste boetedoening

 

verlangde te ontwaken

bloemzingend in de nacht

waar dagdromen wonen

in levensnesten hoog

boven kruinen van de bomen

 

wind mijn vergeelde huid streelt

en zicht zal geven op een laan

die mij ten langen leste

brengen zou waar ik vredig

leven kon zonder bang te zijn

 

Nu ben ik daar vrij om te gaan

gade te slaan.

 

 

 

De verbeelde laan

 

opnieuw observeerde ik

de donkere nacht

 

de stilte scheerde in

al zijn onrust

aan het venster van

de ziel voorbij

 

slaap had eerder al

alsof het lente was

naakt en ongekust

even bloot gelegen

 

nu zit ik hier beneden het

heden te bezien maar

de laan hij biedt geen

soelaas dwaas die ik ben

 

m’ n blik viel op het

bankje onder de oude eik

het maanlicht wandelde

blind tussen zijn kieren

 

ik vierde ondertussen

zachtjes mijn verbeelding

 

 

 

Tijdelijkheid

 

langs gebroken schaduwen

zoekt laatste schemerlicht

beloken uitweg

naar richting gene zijde

waar zwarte raven

‘t aloude liedje zingen

 

over duister dat

zich innig wijden zal

aan ’t tarten van de stilte

die al is ingedaald

tussen de bomen in de laan

 

 

zij zei het vroeger al

 

***

dat zijn zo van die dingen

die het bestaan markeren

steeds opnieuw komt op

wat ook weer gaat

 

***

 

een laatste lichtglimp

schiet nog langs stam

van oude eik omhoog

het doek dat tijd heet

valt impliciet over

de koude grond

 

immers het oog

wil ook wat

 

het niet weet

Doorzoek de website

Contact

Gedichten - atelier 0641459847

Betovering

 

zij is het die ’t stof wegveegt

een meisje nog dat mij

beweegt te gaan

de laan uit

’t leven tegemoet

 

Weg van de bank en

oude eik ’t lijkt me

nog rijkelijk vroeg

nu ik nog hang aan

en verlang naar wat ik

steeds schrijven zal

 

‘k zou beter moeten weten

maar zij betovert mij

met haar

nog voorjaars blote

boezem priller dan mei

 

de geur die ze verspreidt

bedwelmt welhaast

nog even kijk ik achterom

als of ik verbaasd de laan

zie rillen

 

ik sla de laatste bladzij om

het fotoboek is uit

’t meisje

wat me toelacht blijkt

mijn ongeëvenaarde bruid

 

 

 

Droogstaand

 

nu afgelopen dagen

woordloos ingedroogd zijn

is ’t bankje daar

als toevluchtsoord

de oude eik als klankbord

voor de taal

 

een taal die vraagt

om herontdekken

nu bijna al het kluskabaal

is stilgevallen

zoals het zomerblad

dat wacht op

nieuwe regen

 

ja even nog

dan zal een dichter

in de laan

waarin wat Wilgen

aangeplant zijn

zoeken naar verstillen

proberen te verstaan

de kunst die men

poëzie noemt

 

 

 

Opgebiecht

 

hij zat op het bankje

onder de oude eik

handen in zijn schoot

gevouwen

tot gebed

 

hij biechtte

het verleden

om heden te verstaan

hier in de laan

waar tijd altijd

in ogenschouw

genomen wordt

 

er wordt geluisterd

gezegd

wat nooit geweten werd

soms gefluisterd

wat niet

om aan te horen was

 

de tas naast hem

bleef ongeopend

achter

zachter kan waarheid

niet

besproken worden