taal van verbeelding

 

Gewekt in de herfst (1)

 

schimmen klimmen blootsvoets

ochtendschemer tegemoet

 

schikken zich grimmig

in onverdeelde wind

 

dwarrelend over het geharkte grind

klinken ijl verwarde stemmen.

 

bomen kaal van wijsheid grijpen verhalend

eerdere lotgevallen aan

 

spijkeren donkere hemel vast

aan haar beloften

 

Zo is de dag weifelend begonnen

verwachtingsvol wacht zij het lot

 

nu wij nog

 

 

 

 

Gewekt in de Herfst  (2)

 

Tuin oogt kleurloos

wiegt bewogen in de wind

licht wacht gedogend

licht te zijn.

 

Gespleten toont ze ons

een hemel

woont onherbergzaam

op verre afstand pijnlijk traag.

 

Geen vogel doorklieft vandaag

de morgen

op voorhand schiet net begonnen dag

tekort in onze ogen.

 

Grijpen we noodgedwongen

behoeftig naar nijpend licht

geen kunst aan.

 

Wachten verzuchtend

een dag die komt

stiekem achter onze ruggen om.

 

 

 

Gewekt in de herfst (3)

 

verschenen ochtendschemer

weegt licht en duister

 

krant valt in zijn dagelijkse reeks

zorgkoppend op de mat

 

belicht veelbesproken crisis

onder de gloed van leeslamp

probeer ik te begrijpen wat er mis is

 

’t leven richt zich langzaam op

uit ’t plot van nachtelijke dromen

 

En wij - wij raken achterop

als magere zon maar niet wil komen

 

traag en onvermoed

valt spaarzaam licht naar binnen

verzet de zinnen in vet gedrukte inkt

 

 

 

Gewekt in de herfst (4)

 

regen sloeg neer

tegen onbegonnen

vensters

 

mensen zoals jij en ik

schuilen als wonder

onder ’t dekbed bij elkaar

 

de dag

zij mag gestolen worden

nu wind blind van woede

de tijd die roept vervaagt

 

maar ergens

zij het traag richt een kind

zich uit zich zelve op

 

binnen de omarming

van zij die baarde is geen dag

op deze aarde

lichtkring van hetzelfde

 

 

 

Gewekt in de herfst ( 5 )

 

dauw belichaamd naakt

het gaan van weifelende morgen

 

wereld ontwaakt

slaakt een verveelde geeuw

begeeft zich sleurvergelend

op geasfalteerde wegen

 

priemend buigen autolichten

de twijfel om in zegen

althans dat willen ze doen geloven

terwijl de crisis andere wegen wijst

 

tergend langzaam verdampt

het laatste restje mist

vergist de tijd zich  nu

of zijn wij de richting kwijt

 

hoe het ook zij

de herfst sterft telkenmale

jaar in jaar uit daar

waar wij verdwalen

 

 

 

pagina 2 reeksen

Gewekt in de zomer (1)

 

in stilte van de vroege morgen

verheft zich het beton

bron van brokken

tussen ijle lucht

strak opgetrokken

 

geen zucht slaakt zich

geen verluchte wind

die op staat

alle begin bestaat

dat is bekend

uit lokken

maar ook de tent

hij is nog niet

 

uiterst langzaam

ontwaakt wat sliep

een enkele vogel

vliegt af en aan

tussen de tijd

en  ’t oude nest

waar leegte zwaarder

weegt dan alle lieve

rest

 

de eerste mens

ontvangt de geste

voor ’t ontbijt

en eet

maar dankbaarheid

ontbreekt

had nog geen klank

nu ingehouden adem

van de dag

nog aan de kille kant is

 

de wind steekt op

een briesje licht

alsof

de zomer eeuwig is

 

maar het beton ontkomt

niet aan vergissen

en druipt waar

zon wat vissen tekent

op zijn grijze huid

en in de bebouwde kom

doorbreken auto’s

het laatste plukje stilte en

wordt het almaar drukker

 

 

Gewekt in de zomer (2)

 

’t geluid van hen

die vroeg de hemel dragen

doet mij ontwaken

nog voor de schemer

weet heeft van het licht

 

zacht sta ik op

want zij die naast mij ligt

lacht nog haar dromen

zo kom ik terecht

in ’t bed van stilte

 

waar ik mijn woorden vlecht

het is slechts pogen

tot aan de horizon

maar ’t maakt niet uit

hoever ik kom

 

want alles is al eens gezegd

 

 

 

 

Gewekt in de zomer (3)

 

ik word gewekt

door het kind in mij

in ‘t vroege licht gezet

daal ik omhoog

de treden af en drink

mijn koffie uit het glas

van gisteren

 

en in de achtertuin

ontvouwt zich

vol van leven

een glossy onbedrukt

en al het ongewisse

dat dag nog in zich draagt

wordt hier bij voorbaat

tot geluk gemaakt

 

daarom is gisteren

niet gebaat

bij nog weer een leeg glas

dat ongewassen op het

aanrecht staat

zo is dan ook

de zomer vandaag

in alle vroegte

tot mijn genoegen

klaar om te betasten

al treuzelt de nog ijle wind

 

om aan de dag te proeven

 

 

 

 

Gewekt in de zomer (4)

 

al het ontwaken

is als slapen nu zomer

zich aan warmte hecht

 

loom sta ik op ’t is klam

trek het gordijn een

klein kiertje open

 

‘k zie wolkenslierten

hangen aan lichtoranje

sjerpen ze vieren  

op voorhand de nieuwe dag

 

ik eet wat brood en

terwijl de koffie druppelt

hoor ik de vroegte

in alle stilte knerpen

 

het is alsof de dag

zich reeds vertilde aan

de hitte die nu al voelbaar is

toen stond zij daar

 

halfnaakt

zag ze me zitten

‘k schonk haar

een kopje honingthee

 

ze dronk het langzaam leeg

nam me

van beneden mee

opnieuw naar boven

 

er was geen hoger lot

 

 

 

Gewekt in de zomer (5)

 

wanneer deze morgen

alle bomen zwijgen

in goud gevat

 

stilte bedrijvig

bladeren in beweging zet

en vogels op vleugels

zevenvoud

in schaterpracht

door ‘t luchtruim zweven

 

ben ik in enkelvoud aanwezig

 

‘ t kind schuin tegenover

als loos gerucht zich in een

nieuwe dag begeeft

 

de schemer zwicht

en valt in vluchtgedrag een

nieuwe hemel tegemoet

 

stil blijf ik zitten

 

zoals de zomer wacht

niet aan een  einde komt

er zelfs geen einde is

aan naakt ontwaken van

het vroeg opgestane licht

en mocht ik al te laat zijn

om de zin van dit alles

te ontwaren

 

dan noch is er geen einde

aan een steeds weer

nieuw - en toch -

 

 

 

 

Gewekt in de zomer (6)

 

op haar lichtpapieren

onbelijnde huid

doorschijnend als

de ochtendnevel

 

daar beweegt licht strelend

bevend zich mijn dichtershand

daar schrijft ik woorden uiterst

blank – onaangerand

 

taaltekens die de zomer

duiden ze zijn ontkomen aan

het duister en opgestaan

in ’t eerste licht

 

waarin gebroken taal

woord voor woord gevangen wordt

in een gedicht dat blijft verlangen

maar nog nooit geschreven is

 

een gedicht zo broos dat het

onuitgesproken bloost

als god het toevertrouwt

aan ‘t zomerlicht

 

 

Gewekt in de zomer (7 slot)

 

nu jij vanmorgen

versluierd toekijkt

opeens

ons in de steek laat

 zo lijkt

 

geen warmte nog

verspreidt terwijl

de beminde wind

je in zijn volheid

dringend vraagt

om alles wat is uitgedijd

in ander licht te zetten

 

ja heel het palet

dat wereld heet

in al zijn aardszwart

kleurige facetten

 

inclusief de schone schijn

tot stand gebracht

door mensen

zodat ook het

geboren schijnheil

niet zal verdwalen en

ontsnappen

aan de stralen

van jouw vroegste

liefdespoging 

 

 

 

 

Doorzoek de website

Contact

Gedichten - atelier 0641459847

Gewekt in het voorjaar ( 1 )

 

nu het vroege licht

voorzomers opstaat

mij wekt te komen tot

een wakker leven

stap ik uit bed

schuif de gordijnen

wat opzij en trek

mij eerst nog uitgerekt

de Duette omhoog

 

ontvouwt zich

voor mijn oog

een schouwspel

van innemend blauw

en bottend groen

waarvan je zeggen zou

dat god en zijn kornuiten

het hebben neergelegd

voor mij

 

en dan de verten

verder weg dan gisteren

ze spreken tot

verbeelding

over gemiste kansen

het lichte dansen

van verwaande torenflats

en van

de dichte bomengrens

die voor

een ieder openstaat

 

vang langzaamaan

mijn ochtendriten aan

en na ’t ontbijt

wordt het

de hoogste tijd

om te gaan wandelen

de nieuwe dag

van harte te

omarmen

 

 

Gewekt in het voorjaar ( 2 )

 

nu zij mijn levensmetgezel

nog slaapt

de tijd van opstaan

in mij verlicht ontwaakt

spel ik gedreven door

de liefde

haar naam bij de

geboorte meegegeven

terwijl ik ondertussen

zachtjes

naar de kamer sluip

 

de schemer schuift

ontheemd door ruiten

en op het aanrecht staan

restanten vaatwerk

die het leven duiden

van de dag hiervoor

 

heel langzaam

doch

sneller dan gedacht

laat zon zich van

zijn goede kant zien

kleurt bomen en

het groen wat feller

waar ijle lucht wacht op

oranje

 

toen was ’t gerucht daar

staat zij uitdagend

naast me

een kus

een arm

een aai

een onverwachte

ommezwaai

nog even terug naar bed

de zojuist ontstane dag

laat ons in liefde gaan

 

 

 

 

Gewekt in het voorjaar ( 3 )

 

vroege geluiden

wekken mij

het tsjilpen en

het fluiten was

in eerste aanvang

buiten mij omgegaan

nu spoorde mij het aan

om op te staan

 

zag dat de zon

meer wilde dan door

wolkendek beperkt

werd toegestaan

het ontstane dag begin

leek op een vlek

die moest gewist

 

vandaag zou ik

de stilte zoeken

vanaf de flat naar ’t bos

hier even verderop

om in mijn binnenste

te wroeten naar

wat losse woorden

die passen bij

niets moeten

 

 

 

 

Gewekt in het voorjaar ( 4 )

 

draaide me

nog even om

tijd lag nog

sluimerend

naast me

had gisteren

als laatste

heel consequent het

middernachtsmoment

geteld

 

zacht komt

door het open raam

’t geluid van

vroege ochtend binnen

 

‘k verzet m’n zinnen

om te komen tot

beginnen aan de dag

die schortend

tussen bomen door

aan ‘t licht komt

 

prompt schiet ik in

mijn sloffen en

na het scheren aan ’t ontbijt

zie ik de tijd plots

door een kier

van ’t raam vertrekken

als een door god

geroepene

 

vermaand om

niet aan ’t dagen van

de dag

te twijfelen

veeleer bereid te zijn

om het getij

van zon en maan

als één geheel te zien

waarin zelfs het

misschien

niet weifelt

 

ook ik moet gaan

om iets te zien

 

 

 

Gewekt in het voorjaar ( 5 )

 

deze morgen

ligt de grens van

slapen en waken

te woelen in

de smalle ruimte

tussen laken

en matras

 

proberen

droomgedachten

licht verward

aan te haken

bij ’t seizoen  dat lente

heet leeft tussen

pril begin en kracht

die in ontwaken

penetreert

’t leven groet – toeroept

je bent er weer

 

zo sta ik op

klam vanwege

de verzonken droom

een warme douche

spoelt

het laatste

restje wonderslaap

nuchter in het

in het afvoerputje

 

recht voor

tot aan het

Zoetermeerse

en meer naar links

ligt Delft

de helft van wat

in lente leeft

is nog niet

aangezegd

weeft zich een weg

in een ontwaken

waarvoor geen

tijdspad aangelegd is

 

word ik mij bewust

van ’t licht

van ’t vergezicht

 

 

 

Gewekt in het voorjaar ( slot )

 

opgestaan

hoorde ik de trein

hier onderlangs zijn

eerste baantje trekken

op weg naar het retour

langs weilanden

langs woningen en flats

langs het rumoer van tijd

langs gratis kranten

die koppen

dat de prijzen stijgen

 

zo sukkelt hij voort

langs plukjes

gele narcissen

en stukjes

industriegebied

grijs van gewoonte

 

ik zie

het alles in gedachten

voor me zes hoog

vanachter ’t raam

waarvan ’t patroon zeer

transparant is en

geboomte staand

als één man in

overlevingsstand

een kleur aanneemt

die kracht uitstraalt

 

en aan de overzijde

van het spoor

bakkeleien licht en

donk’ re wolken beide

over de lengte

die schaduwzijde

trekken moet

langs oevers van de plas

 

en toch de lente geeft zich

mondjesmaat nog maar

prijs

aan het verlangen

naar,………